Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag

Zacharia: de profeet van Israëls herstel #2 Jeruzalem als navel van de aarde

Zacharia heeft reeds gesproken van een grote strijd in de eindtijd te Jeruzalem:

“alle volken der aarde zullen zich daarheen verzamelen” (Zach. 12:3).

In dat laatste hoofdstuk van zijn boek, wordt deze strijd nader beschreven: hoe zwaar het volk Israël aanvankelijk zal lijden, en de dramatische komst van de heer die zal komen verlossen, vergezeld van zijn engelen. Een zeer zware aardbeving zal de omgeving van Jeruzalem teisteren, Israëls vijanden zullen het onderspit delven, een nieuw en gezegend tijdperk zal aanbreken.

„Het woord van Jehovah betreffende I̱sraël”, is de uitspraak van Jehovah, die [de] hemel uitspant+ en [de] aarde grondvest+ en de geest+ van de mens* in zijn binnenste vormt. „Zie, ik maak Jeru̱zalem+ tot een schaal die alle volken rondom [doet] waggelen;+ en ook tegen Ju̱da zal hij komen bij de belegering, [ja,] tegen Jeru̱zalem.+ En het moet geschieden op die dag+ [dat] ik Jeru̱zalem tot een zwaar te torsen steen+ voor alle volken zal maken. Allen die hem opheffen, zullen zonder mankeren zelf ernstige schrammen oplopen; en tegen haar zullen stellig alle natiën der aarde vergaderd worden.+ Op die dag”,+ is de uitspraak van Jehovah, „zal ik elk paard+ met verbijstering slaan en zijn berijder met waanzin;+ en over het huis van Ju̱da zal ik mijn ogen opendoen,+ en elk paard van de volken zal ik met gezichtsverlies slaan. En de stamhoofden+ van Ju̱da zullen in hun hart moeten zeggen: ’De inwoners van Jeru̱zalem zijn mij een sterkte door Jehovah der legerscharen, hun God.’*+ Op die dag zal ik de stamhoofden van Ju̱da als een vuurpot tussen bomen maken+ en als een vuurfakkel in een rij pasgemaaid koren,+ en zij moeten ter rechter- en ter linkerzijde alle volken rondom verslinden;+ en Jeru̱zalem moet nog bewoond worden op haar [eigen] plaats, in Jeru̱zalem.+ (Zacharia 12:1-6)

En het moet geschieden op die dag [dat] er geen kostelijk licht zal blijken te zijn+ — de dingen zullen gestold zijn.+ En het moet één dag worden waarvan bekend is dat hij Jehovah toebehoort.+ Het zal geen dag zijn, noch zal het nacht zijn;+ en het moet geschieden [dat] het in de avondtijd licht zal worden.+ En het moet geschieden op die dag [dat] levende wateren+ uit Jeru̱zalem zullen uitgaan,+ de helft ervan naar de oostelijke zee*+ en de helft ervan naar de westelijke zee.*+ In de zomer en in de winter* zal het geschieden.+ En Jehovah moet koning worden over de gehele aarde.*+ Op die dag zal Jehovah één+ blijken te zijn, en zijn naam één.+ (Zacharia 14:6-9).

Het middelpunt van deze profetie over de ‘grote dag des Heren’ (de Dag van God) in de eindtijd is de stad Jeruzalem. Het zal zeker niet toevallig zijn dat deze stad zich bevindt op de plaats waar de drie grote landmassa’s van Europa, Azië en Afrika bijeenkomen.

Aan Ezechiël had de Soevereine Heer Jehovah al gezegd dat Jeru̱zalem gesteld zal zijn te midden van de natiën als “de navel der aarde” (Lat.: um·bi·liʹci), met landen rondom haar

10 Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’En het moet op die dag geschieden dat er dingen in uw hart zullen opkomen+ en gij zult stellig een schadelijk plan bedenken;+ 11 en gij moet zeggen: „Ik zal optrekken tegen het land van het open plattelandsgebied.+ Ik zal komen over degenen die rust genieten, die in zekerheid wonen, allen wonend zonder muur,+ en zij hebben zelfs geen grendels en deuren.” 12 Het zal zijn om een grote buit te behalen+ en veel te plunderen, ten einde uw hand te doen terugkeren over opnieuw bewoonde verwoeste plaatsen+ en tegen een volk dat uit de natiën vergaderd is,+ [één] dat vermogen en bezit vergaart,+ [degenen] die op het middelpunt*+ der aarde wonen. (Ezechiël 38:10-12)

“Zo zegt Jehovah de Heer: Dit is Jeruzalem. Midden onder de volken heb Ik het gesteld, met landen eromheen” (Ezech. 5:5).

Met wat voor beweegreden

“alle volken zich tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen” (Zach. 14:2)

wordt niet verteld; vermoedelijk omdat de grote spanning daar, die reeds in het beeld van een schaal sterke drank en een niet op te tillen steen is aangegeven, een dreiging vormt voor de vrede in de wereld (Zach. 12:2,3).

„Zie, ik maak Jeru̱zalem+ tot een schaal die alle volken rondom [doet] waggelen;+ en ook tegen Ju̱da zal hij komen bij de belegering, [ja,] tegen Jeru̱zalem.+ En het moet geschieden op die dag+ [dat] ik Jeru̱zalem tot een zwaar te torsen steen+ voor alle volken zal maken. Allen die hem opheffen, zullen zonder mankeren zelf ernstige schrammen oplopen; en tegen haar zullen stellig alle natiën der aarde vergaderd worden.+

Op die dag”,+ is de uitspraak van Jehovah, „zal ik elk paard+ met verbijstering slaan en zijn berijder met waanzin;+ en over het huis van Ju̱da zal ik mijn ogen opendoen,+ en elk paard van de volken zal ik met gezichtsverlies slaan. En de stamhoofden+ van Ju̱da zullen in hun hart moeten zeggen:

’De inwoners van Jeru̱zalem zijn mij een sterkte door Jehovah der legerscharen, hun God.’*+

Op die dag zal ik de stamhoofden van Ju̱da als een vuurpot tussen bomen maken+ en als een vuurfakkel in een rij pasgemaaid koren,+ en zij moeten ter rechter- en ter linkerzijde alle volken rondom verslinden;+ en Jeru̱zalem moet nog bewoond worden op haar [eigen] plaats, in Jeru̱zalem.+

En Jehovah zal stellig de tenten van Ju̱da het eerst redden, opdat de luister van het huis van Da̱vid en de luister van de inwoners van Jeru̱zalem niet te groot wordt ten opzichte van Ju̱da.

Op die dag zal Jehovah een verdediging zijn rondom de inwoners van Jeru̱zalem;+ en degene onder hen die struikelt, moet op die dag als Da̱vid+ worden, en het huis van Da̱vid als God,*+ als Jehovah’s engel voor hun aangezicht.+ En het moet geschieden op die dag [dat] ik alle natiën die tegen Jeru̱zalem komen, zal zoeken te verdelgen.+ (Zacharia 12:2-9)

Als gevolg van deze belegering heb­ben de stadsbewoners het zwaar te verduren. De stad wordt ingenomen met als resultaat de plundering van de huizen, schending van de hulpeloze vrouwen en de wegvoering van de helft van de inwoners. Het lijkt alsof Israëls herstel in ei­gen land, dat zoveel Joden gedurende de laatste honderd jaar heeft bezield, op een fatale catastrofe uitloopt, waaruit geen mens het zwaar geteisterde volk kan redden. Dit hachelijke moment heeft Jehovah gekozen om in te grijpen en Zijn volk te verlossen.

Zuidzijde van de Olijfberg met de uitgestrekte Joodse begraafplaats

Christus heeft de aarde verlaten vanaf de Olijfberg en het is op deze plek dat hij bij zijn terugkomst zal staan.*
Het gevolg is een grote aardbeving in oostwestelijke richting, dwars door de Olijfberg heen, waardoor een dal ontstaat.

Ook in Ezechiëls profetie van de overwinning over Gog in het land Israël wordt gewag gemaakt van een grote aardbeving:

“Waarlijk, te dien dage zal een zwaïre aardbeving het land van Israël teisteren.  Ja, beven zullen voor Mij de vissen van de zee, het gevogelte van de hemelen, het gedierte van de velden en al het kruipend gedierte dat op de aardbodem kruipt en alle mensen die op de aarde leven; de bergen zullen neerstorten, de bergwanden zullen vallen, elke muur zal ter aarde storten… Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik Jehovah, de Heer, ben” (Ezech. 38:19-23).

Zacharia is er bewust van dat Jehovah gekend zal worden door zijn woorden en Daden, maar nog meer aan det oordelen die Hij heeft voltrokken en nog zal voltrekken.

Ik dan zal Farao’s hart inderdaad verstokt laten worden,+ en hij zal hen stellig najagen en ik zal door bemiddeling van Farao en al zijn strijdkrachten heerlijkheid voor mijzelf verkrijgen;+ en de Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben.”+ Bijgevolg deden zij precies zo. (Exodus 14:4)

16 Jehovah wordt gekend aan het oordeel dat hij heeft voltrokken.+

Door de activiteit van zijn eigen handen is de goddeloze verstrikt.*+

Higgajon.*Sela. (Psalm 9:16)

17 En ik wil grote wraakoefeningen aan hen voltrekken, met woedende terechtwijzingen;+ en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben wanneer ik mijn wraak over hen breng.”’”+ (Ezechiël 25:17)

Zacharia kijkt er met zijn medebroeders naar uit hoe Gods stad op de heuvels van Sion zal herrijzen. en vanuit die woonplaats zal hij verder Gods Woord verkondigen en de mensen vertellen over een komende verlossing die de Allerhoogste God boven alle goden zal voorzien.

+

Voorgaande

Zacharia: de profeet van Israëls herstel #1 Joodse ballingen in het rijk van Darius de Grote

++

Aanvullend

  1. Kroniekschrijvers en profeten #4c Latere of Kleine Profeten
  2. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?

+++

Gerelateerd

  1. Iedereen zal de Heiland zien
  2. Ambassadeurs van een Stad van Vrede
  3. Eén Naam blijft er over
  4. De Verbondsgod is trouw
Advertentie

Door belgischebroedersinchristus

Genootschap van de Broeders en Zusters in Christus, of Christadelphians, in België.

5 reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: